Verlenging van een vergunning: het Hof van Justitie van de Europese Unie versterkt de vereisten inzake inspraak van het publiek - Photo: Stéphane DEMOLOMBE - CC BY SA 2 0
Photo: Photo: Stéphane DEMOLOMBE - CC BY SA 2 0

- door Camille de Bueger

Verlenging van een vergunning: het Hof van Justitie van de Europese Unie versterkt de vereisten inzake inspraak van het publiek

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) bevestigt in zijn arrest van 24 september 2026 dat inspraak van het publiek, zoals gewaarborgd door het Verdrag van Aarhus, niet beperkt blijft tot de verlening van de oorspronkelijke projectvergunning.

De feiten en de voorgeschiedenis

Zaak C-151/25, F.B t. Waals Gewest, had betrekking op het windmolenpark van Leuze-en-Hainaut in België.

Na verschillende administratieve en gerechtelijke procedures was een gecombineerde vergunning verleend voor de exploitatie van dertien windturbines, geldig tot en met 28 augustus 2029. In 2020 verkregen de exploitanten een verlenging met tien bijkomende jaren, tot en met 28 augustus 2039. Deze beslissing werd genomen zonder openbaar onderzoek of enig ander mechanisme voor inspraak van het publiek, aangezien de toepasselijke gewestelijke regelgeving dit niet voorschreef. Een omwonende heeft dan deze beslissing aangevochten bij de Belgische Raad van State. Hij voerde aan dat een dergelijke verlenging niet kon worden toegestaan zonder naleving van de inspraakvereisten van het Verdrag van Aarhus.

De Raad van State heeft het HvJ EU bevraagd over de interpretatie van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus. Dit artikel waarborgt de inspraak van het publiek bij besluitvorming over bepaalde activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De gestelde prejudiciële vragen luidden als volgt:

“In een rechtsstelsel waarin voor de exploitatie van een activiteit die onder bijlage I bij het Verdrag van Aarhus valt, een exploitatievergunning wordt verleend voor een maximale duur van 20 jaar,

– moeten artikel 6, leden 1 en 10, en de punten 20 en 22 van bijlage I bij het Verdrag van Aarhus dan aldus worden uitgelegd dat een beslissing om de exploitatie van de oorspronkelijk voor twintig jaar vergunde activiteit met tien jaar te verlengen, moet worden voorafgegaan door een procedure voor inspraak van het publiek?

– moet artikel 6, leden 1 en 10, van het Verdrag van Aarhus aldus worden uitgelegd dat een wettelijke regeling die bepaalt dat de procedure tot verlenging met tien jaar van de exploitatie van de activiteit nooit een procedure voor inspraak van het publiek omvat, onverenigbaar is met dit artikel?”

Het antwoord van het HvJ EU

Het Hof beantwoordt deze vragen ontkennend.

Volgens het Hof volstaat het feit dat het publiek werd geraadpleegd bij de verlening van de oorspronkelijke vergunning niet noodzakelijk om gedurende de daaropvolgende decennia te voldoen aan de vereisten van het Verdrag van Aarhus. Artikel 6, lid 10, van dit verdrag bepaalt immers dat de regels inzake inspraak van het publiek eveneens van toepassing zijn wanneer de autoriteiten de voorwaarden voor de uitoefening van een activiteit herzien of actualiseren.

Het HvJ EU wijst er met name op dat:

  • technologieën evolueren;
  • de wetenschappelijke kennis toeneemt;
  • de toestand van het milieu kan zijn veranderd;
  • nieuwe maatregelen om de milieueffecten te beperken beschikbaar kunnen zijn.

In die omstandigheden is het Hof van oordeel dat het bij het verstrijken van een vergunning noodzakelijk kan zijn om opnieuw te beoordelen of de activiteit ongewijzigd moet worden voortgezet, moet worden aangepast of eventueel moet worden stopgezet.

Hoewel de zaak betrekking had op een windmolenpark, kan de draagwijdte van dit arrest aanzienlijk ruimer zijn.

De beslissing illustreert de wil van het HvJ EU om een daadwerkelijke inspraak van het publiek te waarborgen bij alle belangrijke milieubeslissingen. Het Hof benadrukt dat de vernieuwing of verlenging van een vergunning niet noodzakelijk een loutere administratieve formaliteit vormt wanneer daardoor een activiteit die gevolgen kan hebben voor het milieu gedurende vele bijkomende jaren kan worden voortgezet. De bevoegde autoriteiten zullen bijgevolg zorgvuldig moeten onderzoeken of voorafgaand aan de verlenging van milieuvergunningen een procedure voor inspraak van het publiek moet worden georganiseerd, met name voor energie- en industriële infrastructuur.

Het arrest C-151/25 van 24 september 2026 bevestigt dat inspraak van het publiek een dynamisch proces is dat niet eindigt bij de verlening van de oorspronkelijke vergunning. Wanneer een activiteit voor een nieuwe, aanzienlijke periode mag worden voortgezet, moeten de betrokken burgers de mogelijkheid krijgen hun opmerkingen kenbaar te maken in het licht van de technische, milieugerelateerde en regelgevende ontwikkelingen die zich sinds de oorspronkelijke vergunningverlening hebben voorgedaan. Deze beslissing vormt een nieuwe illustratie van het toenemende belang dat de Europese rechtspraak hecht aan de procedurele milieurechten die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus.

Verwante expertise: Energie, Leefmilieu